Rechtbank 's-Hertogenbosch, 24 april 2012. Het college van B en W van Oss had bestuursdwang toegepast onder aanzegging van kostenverhaal. Tegen dit besluit was geen bezwaar gemaakt. Vervolgens nam het college een kostenbeschikking. Daartegen werd wel bezwaar gemaakt en beroep ingesteld.
Het bijzondere aan de uitspraak van de rechtbank zijn de overwegingen van de rechtbank over het besluit om tot invordering van de kosten over te gaan. De rechtbank stelt vast dat het besluit om de kosten van bestuursdwang te verhalen op de overtreder onaantastbaar is, maar overweegt dat dit niet wegneemt dat het bestuursorgaan bij het nemen van een kostenbeschikking de vraag dient te stellen of in alle redelijkheid tot kostenverhaal kan worden overgegaan. De rechtbank vindt dat zij dit marginaal dient te toetsen.
Naar de mening van de rechtbank dient dus niet alleen bij het nemen van de last onder bestuursdwang, maar ook bij het nemen van de kostenbeschikking te worden nagegaan of het redelijk is dat de kosten van bestuursdwang worden verhaald.
LJN: BW6147
Bestuurlijke handhaving
Op deze blog bespreek ik actuele bestuurlijke handhavingsuitspraken, waarbij ik me (vooralsnog) beperk tot uitspraken over herstelsancties.
maandag 28 mei 2012
Beroep niet-ontvankelijk, doorzending beroep invorderingsbeschikking
ABRvS, 16 mei 2012. Hangende het beroep tegen een last onder dwangsom, werd een invorderingsbeschikking genomen. Op grond van artikel 5:39 lid 1 Awb werd het beroep tegen de last onder dwangsom mede geacht te zijn gericht tegen de invorderingsbeschikking. Het griffierecht voor het beroep tegen de last onder dwangsom bleek echter niet tijdig te zijn betaald, zodat dat beroep niet-ontvankelijk werd verklaard.
De rechtbank oordeelde dat als gevolg daarvan het beroepschrift tegen de invorderingsbeschikking moest worden verwezen naar het college van B en W, dat het beroepschrift als bezwaarschrift diende te behandelen. Het college kon zich daarin niet vinden.
De Afdeling stelt het college echter in het ongelijk en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Dat de opdracht van de rechtbank om het beroepschrift als bezwaarschrift te behandelen niet in het dictum van de uitspraak wordt vermeld, is niet van belang, zo oordeelt de Afdeling.
LJN: BW5916
De rechtbank oordeelde dat als gevolg daarvan het beroepschrift tegen de invorderingsbeschikking moest worden verwezen naar het college van B en W, dat het beroepschrift als bezwaarschrift diende te behandelen. Het college kon zich daarin niet vinden.
De Afdeling stelt het college echter in het ongelijk en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Dat de opdracht van de rechtbank om het beroepschrift als bezwaarschrift te behandelen niet in het dictum van de uitspraak wordt vermeld, is niet van belang, zo oordeelt de Afdeling.
LJN: BW5916
maandag 7 mei 2012
Aanschrijving VVE = aanschrijving individuele eigenaren
HR, 4 mei 2012. Kunnen de kosten van bestuursdwang die jegens de VVE is uitgevoerd, bij dwangbevel worden verhaald op de individuele appartementseigenaren? Het Gerechtshof 's-Gravenhage oordeelde dat het wel kon. De rechtbank Rotterdam oordeelde in een andere zaak dat het niet kon.
Nu heeft de HR in weer een andere zaak de knoop doorgehakt. De HR stelt vast dat de kosten van bestuursdwang alleen bij dwangbevel kunnen worden verhaald op de overtreder. Het besluit tot aanzegging bestuursdwang was alleen aan de VVE gericht. De HR oordeelt echter dat deze aanschrijving op grond van artikel 5:126 lid 2 BW (dat bepaalt dat de VVE de gezamenlijke appartementseigenaren in en buiten rechte kan vertegenwoordigen) tevens als aanschrijving jegens de individuele eigenaren moet worden opgevat, zodat ook de individuele eigenaren als overtreders moeten worden aangemerkt en de kosten bestuursdwang dus ook op hen verhaald kunnen worden.
LJN: BW4812
Nu heeft de HR in weer een andere zaak de knoop doorgehakt. De HR stelt vast dat de kosten van bestuursdwang alleen bij dwangbevel kunnen worden verhaald op de overtreder. Het besluit tot aanzegging bestuursdwang was alleen aan de VVE gericht. De HR oordeelt echter dat deze aanschrijving op grond van artikel 5:126 lid 2 BW (dat bepaalt dat de VVE de gezamenlijke appartementseigenaren in en buiten rechte kan vertegenwoordigen) tevens als aanschrijving jegens de individuele eigenaren moet worden opgevat, zodat ook de individuele eigenaren als overtreders moeten worden aangemerkt en de kosten bestuursdwang dus ook op hen verhaald kunnen worden.
LJN: BW4812
donderdag 3 mei 2012
Onrechtmatig verkregen bewijs toch toelaatbaar
Vz. Rechtbank Utrecht, 20 april 2012. De inspecteur voor de Gezondheidszorg had aan een zorginstelling een verbod opgelegd om op twee van haar locaties cliënten te huisvesten en te begeleiden zolang zij niet aantoonde dat voldaan werd aan de voorwaarden voor verantwoorde zorg.
Dit besluit was o.a. gebaseerd op informatie die was verkregen doordat een toezichthouder de kamers van cliënten van de zorginstelling was binnengetreden. De zorginstelling betoogde dat de kamers als woningen moesten worden beschouwd, dat de toezichthouder geen toestemming had om deze woningen te betreden en dat daarom het bewijs dat daardoor was verkregen onrechtmatig was en buiten beschouwing moest worden gelaten.
Op grond van artikel 5:15 lid 1 Awb is een toezichthouder bevoegd om elke plaats te betreden, met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner. Voor het binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoner is op grond van artikel 2 lid 2 van de Algemene wet op het binnentreden (Awbi) een schriftelijke machtiging vereist
De Afdeling heeft eerder geoordeeld dat uit artikel 12 van de Grondwet in samenhang met artikel 2 lid 2 Awbi het grondrecht strekkende tot onschendbaarheid van de woning uitsluitend toekomt aan de bewoner van de woning. De voorzieningenrechter komt op basis daarvan tot het oordeel dat het bewijs dat is verzameld doordat de woningen in kwestie in strijd met artikel 5:15 lid 1 Awb zonder toestemming van de bewoners zijn binnengetreden uitsluitend onrechtmatig is verkregen ten opzichte van de bewoners. De voorzieningenrechter oordeelt derhalve dat het bewijs wel is toegelaten jegens de zorginstelling.
LJN: BW3365
Dit besluit was o.a. gebaseerd op informatie die was verkregen doordat een toezichthouder de kamers van cliënten van de zorginstelling was binnengetreden. De zorginstelling betoogde dat de kamers als woningen moesten worden beschouwd, dat de toezichthouder geen toestemming had om deze woningen te betreden en dat daarom het bewijs dat daardoor was verkregen onrechtmatig was en buiten beschouwing moest worden gelaten.
Op grond van artikel 5:15 lid 1 Awb is een toezichthouder bevoegd om elke plaats te betreden, met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner. Voor het binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoner is op grond van artikel 2 lid 2 van de Algemene wet op het binnentreden (Awbi) een schriftelijke machtiging vereist
De Afdeling heeft eerder geoordeeld dat uit artikel 12 van de Grondwet in samenhang met artikel 2 lid 2 Awbi het grondrecht strekkende tot onschendbaarheid van de woning uitsluitend toekomt aan de bewoner van de woning. De voorzieningenrechter komt op basis daarvan tot het oordeel dat het bewijs dat is verzameld doordat de woningen in kwestie in strijd met artikel 5:15 lid 1 Awb zonder toestemming van de bewoners zijn binnengetreden uitsluitend onrechtmatig is verkregen ten opzichte van de bewoners. De voorzieningenrechter oordeelt derhalve dat het bewijs wel is toegelaten jegens de zorginstelling.
LJN: BW3365
woensdag 2 mei 2012
Toetsingskader invorderingsbeschikking
ABRvS, 2 mei 2012. Het college van B en W van 's-Hertogenbosch had een last onder dwangsom opgelegd aan iemand die in strijd met artikel 40 Woningwet (oud) een opening in de binnenmuur van een zijgevel had gemaakt. De last luidde dat de situatie in de oude toestand moest worden hersteld. Het maximumbedrag aan te verbeuren dwangsommen bedroeg € 50.000,--.
Tegen de last onder dwangsom was geen bezwaar gemaakt. Het college stelde zich op het standpunt dat niet aan de last was voldaan en dat daarom de dwangsommen tot het maximumbedrag waren verbeurd. De opening was weliswaar dichtgemaakt, maar met een luik dat daar nooit had gezeten. Het college besloot tot invordering van de verbeurde dwangsommen over te gaan en tegen die beschikking werd wel bezwaar gemaakt. Het bezwaar en het beroep werden ongegrond verklaard, waarna de overtreder hoger beroep instelde.
De Afdeling maakt allereerst heel duidelijk dat het dwangsombesluit niet ter discussie kan staan in de procedure tegen de invorderingsbeschikking. Dat betekent dat in die procedure vaststaat dat de last terecht is opgelegd en dat de hoogte van de dwangsom voldoet aan de eis van 5:32b lid 3 Awb.
De overtreder voert vervolgens diverse omstandigheden aan, die in zijn ogen dermate bijzonder zijn dat het college van invordering had moeten afzien. Zo voert hij aan dat hij de last onder dwangsom door een onjuiste verzending later heeft ontvangen, waardoor hij de facto een kortere begunstigingstermijn heeft gehad. De Afdeling is niet onder de indruk en overweegt dat de overtreder dan maar had moeten vragen om verlenging van de begunstigingstermijn. Ook voert de overtreder aan dat hij niet in staat is om de dwangsommen te betalen. Daarop overweegt de Afdeling dat dit argument niet kan slagen, "reeds nu zij dat niet aannemelijk heeft gemaakt". Een dergelijke overweging roept toch de vraag op wat de Afdeling zou hebben geoordeeld als de overtreder wel aannemelijk had gemaakt dat hij niet in staat was om de dwangsommen te betalen. Betalingsonmacht leidt er niet toe dat het bestuursorgaan zonder meer van invordering moet afzien, maar de Afdeling lijkt toch ook niet helemaal uit te sluiten dat dit onder bepaalde omstandigheden wel het geval kan zijn.
Ondanks het feit dat, gelet op de zo op het eerste oog relatief geringe ernst van de overtreding, een dwangsom van € 50.000,-- fors lijkt, laat de Afdeling zich niet vermurwen. De Afdeling komt tot het eindoordeel dat het college in redelijkheid tot invordering van de verbeurde dwangsommen heeft mogen overgaan.
LJN: BW4556
Tegen de last onder dwangsom was geen bezwaar gemaakt. Het college stelde zich op het standpunt dat niet aan de last was voldaan en dat daarom de dwangsommen tot het maximumbedrag waren verbeurd. De opening was weliswaar dichtgemaakt, maar met een luik dat daar nooit had gezeten. Het college besloot tot invordering van de verbeurde dwangsommen over te gaan en tegen die beschikking werd wel bezwaar gemaakt. Het bezwaar en het beroep werden ongegrond verklaard, waarna de overtreder hoger beroep instelde.
De Afdeling maakt allereerst heel duidelijk dat het dwangsombesluit niet ter discussie kan staan in de procedure tegen de invorderingsbeschikking. Dat betekent dat in die procedure vaststaat dat de last terecht is opgelegd en dat de hoogte van de dwangsom voldoet aan de eis van 5:32b lid 3 Awb.
De overtreder voert vervolgens diverse omstandigheden aan, die in zijn ogen dermate bijzonder zijn dat het college van invordering had moeten afzien. Zo voert hij aan dat hij de last onder dwangsom door een onjuiste verzending later heeft ontvangen, waardoor hij de facto een kortere begunstigingstermijn heeft gehad. De Afdeling is niet onder de indruk en overweegt dat de overtreder dan maar had moeten vragen om verlenging van de begunstigingstermijn. Ook voert de overtreder aan dat hij niet in staat is om de dwangsommen te betalen. Daarop overweegt de Afdeling dat dit argument niet kan slagen, "reeds nu zij dat niet aannemelijk heeft gemaakt". Een dergelijke overweging roept toch de vraag op wat de Afdeling zou hebben geoordeeld als de overtreder wel aannemelijk had gemaakt dat hij niet in staat was om de dwangsommen te betalen. Betalingsonmacht leidt er niet toe dat het bestuursorgaan zonder meer van invordering moet afzien, maar de Afdeling lijkt toch ook niet helemaal uit te sluiten dat dit onder bepaalde omstandigheden wel het geval kan zijn.
Ondanks het feit dat, gelet op de zo op het eerste oog relatief geringe ernst van de overtreding, een dwangsom van € 50.000,-- fors lijkt, laat de Afdeling zich niet vermurwen. De Afdeling komt tot het eindoordeel dat het college in redelijkheid tot invordering van de verbeurde dwangsommen heeft mogen overgaan.
LJN: BW4556
vrijdag 27 april 2012
Handhaving hennepkwekerij
ABRvS, 25 april 2012. Het college van B en W van Eindhoven ontdekte een hennepkwekerij in een garagebox en paste onmiddellijk bestuursdwang toe op de voet van artikel 5:31 lid 2 Awb.
Grondslag handhavingsbesluit
Aan dit besluit legde het college ten grondslag de overtreding van de volgende wettelijke voorschriften:
Artikel 2.9.1 sub a Besluit brandveilig gebruik bouwwerken bepaalde dat het verboden was om in, op, aan of nabij een bouwwerk voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten, werktuigen, middelen of voorzieningen te gebruiken of niet te gebruiken of anderszins belemmeringen op te werpen of hinder te veroorzaken waardoor brandgevaar wordt veroorzaakt.
Artikel 2.52 lid 1 Bouwbesluit 2003 bepaalde dat een bestaand bouwwerk een veilige voorziening voor elektriciteit heeft.
Uit het feit dat de Afdeling overweegt dat vast staat dat deze voorschriften zijn overtreden, leid ik af dat de elektriciteitsvoorziening niet veilig was en dat daardoor gevaar voor brand bestond.
Beide Besluiten zijn met de inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 komen te vervallen. Hoewel ik het Bouwbesluit 2012 niet helemaal uitgeplozen heb, bevatten volgens mij de artikelen 2.62 lid 1 en 6.1 Bouwbesluit 2012 vergelijkbare voorschriften.
Ad 4.
Artikel 1a lid 2 Woningwet bepaalt dat een ieder die een bouwwerk bouwt, gebruikt, laat gebruiken of sloopt, dan wel een open erf of terrein gebruikt of laat gebruiken, er voor zorgt, voor zover dat in diens vermogen ligt, dat als gevolg van dat bouwen, gebruik of slopen geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.
De Afdeling heeft eerder geoordeeld dat artikel 1a lid 2 Woningwet alleen gehandhaafd kan worden als in het desbetreffende geval geen bij of krachtens de Woningwet gegeven voorschrift van meer specifieke aard valt aan te wijzen op grond waarvan in afdoende mate kan worden opgetreden ter voorkoming of beëindiging van het geconstateerde gevaar. Ook in die zaak ging het over een hennepkwekerij. Het bevoegd gezag had geconstateerd dat de elektriciteitsvoorziening onvakkundig was aangelegd, waardoor er gevaar voor brand, elektrocutie en kortsluiting bestond. De Afdeling oordeelde dat geen specifieker voorschrift dan artikel 1a lid 2 Woningwet ten grondslag kon worden gelegd aan het besluit om bestuursdwang toe te passen.
In deze zaak worden artikel 2.52 lid 1 Bouwbesluit 2003 en artikel 2.91 sub a Besluit brandveilig gebruiken bouwwerken genoemd als twee specifieke voorschriften die werden overtreden. Beide voorschriften zijn bij of krachtens de Woningwet gesteld en zien specifiek op het voorkomen van een onveilige en brandgevaarlijke situatie. Toch overweegt de Afdeling zonder nadere motivering dat vast staat dat (ook) artikel 1a lid 2 Woningwet is overtreden. Kennelijk heeft de appellant daar geen punt van gemaakt.
Het gevaar wordt kennelijk veroorzaakt door de onvakkundig aangelegde elektriciteitsvoorziening. Wat gebeurt er als er bij de hennepkwekerij wel een vakkundig aangelegde elektriciteitsvoorziening is en er niet aannemelijk gemaakt kan worden dat er een gevaarlijke situatie is?
In dat geval zal geen sprake zijn van een overtreding van het Bouwbesluit 2013. Wel blijft er sprake van een overtreding van het gebruiksverbod van het bestemmingsplan.De vraag rijst dan echter of het geval dan dermate spoedeisend is dat op de voet van artikel 5:31 lid 2 Awb zonder oplegging van een last kan worden overgegaan tot het toepassen van bestuursdwang.
Herstelmaatregelen
Het college had bestuursdwang toegepast door de elektriciteitsvoorziening af te sluiten en door alle zaken die betrekking hadden op de hennepkwekerij te verwijderen. De appellant betoogde dat het college had moeten volstaan met het afsluiten van de elektriciteitsvoorziening. De Afdeling overweegt dat de bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen de bevoegdheid omvat om alles te doen wat nodig is om een einde aan de overtreding te maken. De Afdeling oordeelt vervolgens dat met het enkel afsluiten van de elektriciteitsvoorziening de kans bestaat dat een nieuwe aansluiting op het elektriciteitsnet zal worden gemaakt en de exploitatie van de hennepkwekerij wordt voortgezet. Daar voegt de Afdeling nog aan toe dat met het enkel afsluiten van de elektriciteitsvoorziening geen einde wordt gemaakt aan de overtreding van het bestemmingsplan.
Verhaal kosten
De appellant betoogde dat het college bekend was met de identiteit van de gebruiker van de garagebox en dat het college daarom de kosten op die persoon had moeten verhalen en niet op hem. De Afdeling overweegt dat ook de appellant als overtreder kan worden aangemerkt, zodat het college had kunnen besluiten om de kosten van bestuursdwang op hem te verhalen. Dat het college ook bevoegd was om deze kosten te verhalen op de andere overtreder, doet daar niet aan af.
De appellant betoogde tot slot dat de opsporing en ontmanteling van de hennepkwekerij een taak van de politie is en dat de overtreder in dat geval de kosten van ontmanteling niet verschuldigd geweest zou zijn. Ook daarom vond de appellant het niet redelijk dat de kosten op hem verhaald werden. De Afdeling overweegt dat het college in het feit dat de hennepkwekerij ook door de politie ontmanteld had kunnen worden terecht geen aanleiding heeft gezien om de kosten niet op appellant te verhalen.
LJN: BW3837
Grondslag handhavingsbesluit
Aan dit besluit legde het college ten grondslag de overtreding van de volgende wettelijke voorschriften:
- het in het bestemmingsplan opgenomen gebruiksverbod;
- artikel 2.9.1 sub a Besluit brandveilig gebruik bouwwerken;
- artikel 2.52 lid 1 Bouwbesluit 2003;
- artikel 1a lid 2 Woningwet.
Artikel 2.9.1 sub a Besluit brandveilig gebruik bouwwerken bepaalde dat het verboden was om in, op, aan of nabij een bouwwerk voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten, werktuigen, middelen of voorzieningen te gebruiken of niet te gebruiken of anderszins belemmeringen op te werpen of hinder te veroorzaken waardoor brandgevaar wordt veroorzaakt.
Artikel 2.52 lid 1 Bouwbesluit 2003 bepaalde dat een bestaand bouwwerk een veilige voorziening voor elektriciteit heeft.
Uit het feit dat de Afdeling overweegt dat vast staat dat deze voorschriften zijn overtreden, leid ik af dat de elektriciteitsvoorziening niet veilig was en dat daardoor gevaar voor brand bestond.
Beide Besluiten zijn met de inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 komen te vervallen. Hoewel ik het Bouwbesluit 2012 niet helemaal uitgeplozen heb, bevatten volgens mij de artikelen 2.62 lid 1 en 6.1 Bouwbesluit 2012 vergelijkbare voorschriften.
Ad 4.
Artikel 1a lid 2 Woningwet bepaalt dat een ieder die een bouwwerk bouwt, gebruikt, laat gebruiken of sloopt, dan wel een open erf of terrein gebruikt of laat gebruiken, er voor zorgt, voor zover dat in diens vermogen ligt, dat als gevolg van dat bouwen, gebruik of slopen geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.
De Afdeling heeft eerder geoordeeld dat artikel 1a lid 2 Woningwet alleen gehandhaafd kan worden als in het desbetreffende geval geen bij of krachtens de Woningwet gegeven voorschrift van meer specifieke aard valt aan te wijzen op grond waarvan in afdoende mate kan worden opgetreden ter voorkoming of beëindiging van het geconstateerde gevaar. Ook in die zaak ging het over een hennepkwekerij. Het bevoegd gezag had geconstateerd dat de elektriciteitsvoorziening onvakkundig was aangelegd, waardoor er gevaar voor brand, elektrocutie en kortsluiting bestond. De Afdeling oordeelde dat geen specifieker voorschrift dan artikel 1a lid 2 Woningwet ten grondslag kon worden gelegd aan het besluit om bestuursdwang toe te passen.
In deze zaak worden artikel 2.52 lid 1 Bouwbesluit 2003 en artikel 2.91 sub a Besluit brandveilig gebruiken bouwwerken genoemd als twee specifieke voorschriften die werden overtreden. Beide voorschriften zijn bij of krachtens de Woningwet gesteld en zien specifiek op het voorkomen van een onveilige en brandgevaarlijke situatie. Toch overweegt de Afdeling zonder nadere motivering dat vast staat dat (ook) artikel 1a lid 2 Woningwet is overtreden. Kennelijk heeft de appellant daar geen punt van gemaakt.
Het gevaar wordt kennelijk veroorzaakt door de onvakkundig aangelegde elektriciteitsvoorziening. Wat gebeurt er als er bij de hennepkwekerij wel een vakkundig aangelegde elektriciteitsvoorziening is en er niet aannemelijk gemaakt kan worden dat er een gevaarlijke situatie is?
In dat geval zal geen sprake zijn van een overtreding van het Bouwbesluit 2013. Wel blijft er sprake van een overtreding van het gebruiksverbod van het bestemmingsplan.De vraag rijst dan echter of het geval dan dermate spoedeisend is dat op de voet van artikel 5:31 lid 2 Awb zonder oplegging van een last kan worden overgegaan tot het toepassen van bestuursdwang.
Herstelmaatregelen
Het college had bestuursdwang toegepast door de elektriciteitsvoorziening af te sluiten en door alle zaken die betrekking hadden op de hennepkwekerij te verwijderen. De appellant betoogde dat het college had moeten volstaan met het afsluiten van de elektriciteitsvoorziening. De Afdeling overweegt dat de bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen de bevoegdheid omvat om alles te doen wat nodig is om een einde aan de overtreding te maken. De Afdeling oordeelt vervolgens dat met het enkel afsluiten van de elektriciteitsvoorziening de kans bestaat dat een nieuwe aansluiting op het elektriciteitsnet zal worden gemaakt en de exploitatie van de hennepkwekerij wordt voortgezet. Daar voegt de Afdeling nog aan toe dat met het enkel afsluiten van de elektriciteitsvoorziening geen einde wordt gemaakt aan de overtreding van het bestemmingsplan.
Verhaal kosten
De appellant betoogde dat het college bekend was met de identiteit van de gebruiker van de garagebox en dat het college daarom de kosten op die persoon had moeten verhalen en niet op hem. De Afdeling overweegt dat ook de appellant als overtreder kan worden aangemerkt, zodat het college had kunnen besluiten om de kosten van bestuursdwang op hem te verhalen. Dat het college ook bevoegd was om deze kosten te verhalen op de andere overtreder, doet daar niet aan af.
De appellant betoogde tot slot dat de opsporing en ontmanteling van de hennepkwekerij een taak van de politie is en dat de overtreder in dat geval de kosten van ontmanteling niet verschuldigd geweest zou zijn. Ook daarom vond de appellant het niet redelijk dat de kosten op hem verhaald werden. De Afdeling overweegt dat het college in het feit dat de hennepkwekerij ook door de politie ontmanteld had kunnen worden terecht geen aanleiding heeft gezien om de kosten niet op appellant te verhalen.
LJN: BW3837
maandag 23 april 2012
Handhaving permanente bewoning van recreatiewoningen; een crime?
ABRvS, 18 april 2012. De huisvesting van buitenlandse werknemers op camping 'Dijnselburg' in Zeist blijft het college van B en W van Zeist kopzorgen bezorgen.
Twee uitzendorganisaties (Otto en Adecco) brachten hun buitenlandse werknemers onder in chalets op de camping. Zij hadden hiertoe met de eigenaar van de camping huurovereenkomsten gesloten. Het college besloot daarop een last onder dwangsom op te leggen aan de eigenaar van de camping en de uitzendorganisaties.
Hen werd verweten dat zij in strijd handelden met het specifieke en het algemene gebruiksverbod. Het specifieke gebruiksverbod bepaalt dat het verboden is om een chalet te gebruiken of te laten gebruiken voor permanente bewoning. Het algemene gebruiksverbod bepaalt dat het verboden is om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de bestemming.
Toen de last was uitgewerkt legde het college een nieuwe last onder dwangsom op. Het verzoek tot schorsing van dat besluit werd door de voorzieningenrechter afgewezen. De voorzieningenrechter oordeelde daarbij dat de eigenaar terecht ook als overtreder van het algemene gebruiksverbod was aangemerkt, nu de eigenaar als medepleger kon worden aangemerkt.
Op 18 augustus 2011 deed de rechtbank uitspraak op het beroep dat door de eigenaar was ingesteld tegen het eerste dwangsombesluit.
De rechtbank oordeelde dat de eigenaar ten onrechte als overtreder van het specifieke gebruiksverbod was aangemerkt omdat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de chalets permanent werden bewoond als bedoeld in de begripsbepaling van het bestemmingsplan. Daarin stond dat onder permanente bewoning moet worden verstaan het gebruik van een kampeermiddel dat noopt tot inschrijving op grond van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. De rechtbank overweegt dat een persoon zich op grond van de Wet GBA moet inschrijven in de gba van een gemeente als hij/zij naar verwachting daar de komende zes maanden vier maanden verblijf zal houden. De rechtbank constateerde dat het college de bewoning van de chalets niet tot individuele personen had kunnen terugleiden en ook anderszins niet aannemelijk had kunnen maken dat voldaan werd aan de zgn. vier uit zes eis.
Verder oordeelde de rechtbank dat het college de eigenaar ten onrechte als overtreder van het algemeen gebruiksverbod had aangemerkt.
Dit verbod richt zich uitsluitend tot de gebruiker. De eigenaar was weliswaar geen gebruiker, maar werd door het college als medepleger aangemerkt en op die grond als overtreder. De rechtbank overwoog echter dat het oude recht van toepassing was op deze zaak, zodat artikel 5:1 lid 2 Awb (waarin bepaald is dat een medepleger als overtreder wordt aangemerkt) in dit geval niet van toepassing was.
Het college kon zich niet vinden in deze uitspraak. In hoger beroep stelde het college dat de rechtbank ten onrechte de bewijslast van de overtreding van het specifieke gebruiksverbod bij het college had gelegd. Het college vond dat, nu de eigenaar, in strijd met zijn verplichting, geen register had bijgehouden van de bewoners van de chalets en (beweerdelijk) de bewoners verbood zich in te schrijven in het GBA, de bewijslast op de eigenaar behoorde te rusten. De Afdeling oordeelt echter dat dit niet afdoet aan het feit dat het aan het college is om, nu de permanente bewoning in het bestemmingsplan gekoppeld is aan de inschrijving in het GBA, de bewoning van de chalets te herleiden tot individuele personen en aannemelijk te maken dat deze personen voldoen aan de vier uit zes eis.
Ook de grief van het college tegen het oordeel dat niet bewezen is dat de eigenaar als overtreder van het algemeen gebruiksverbod kan worden aangemerkt, slaagt niet.
Het college bestreed niet dat artikel 5:1 lid 2 Awb niet van toepassing was. Wel vond het college dat de eigenaar toch als overtreder kon worden aangemerkt, nu hij de camping had veranderd in een woonwijk voor buitenlandse werknemers. De Afdeling is echter onverbiddelijk. Het algemeen gebruiksverbod richt zich uitsluitend tot de gebruikers en niet tot degenen die laten gebruiken. De Afdeling is van oordeel dat de eigenaar niet als gebruiker van de chalets kan worden aangemerkt.
LJN: BW3029
Twee uitzendorganisaties (Otto en Adecco) brachten hun buitenlandse werknemers onder in chalets op de camping. Zij hadden hiertoe met de eigenaar van de camping huurovereenkomsten gesloten. Het college besloot daarop een last onder dwangsom op te leggen aan de eigenaar van de camping en de uitzendorganisaties.
Hen werd verweten dat zij in strijd handelden met het specifieke en het algemene gebruiksverbod. Het specifieke gebruiksverbod bepaalt dat het verboden is om een chalet te gebruiken of te laten gebruiken voor permanente bewoning. Het algemene gebruiksverbod bepaalt dat het verboden is om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de bestemming.
Toen de last was uitgewerkt legde het college een nieuwe last onder dwangsom op. Het verzoek tot schorsing van dat besluit werd door de voorzieningenrechter afgewezen. De voorzieningenrechter oordeelde daarbij dat de eigenaar terecht ook als overtreder van het algemene gebruiksverbod was aangemerkt, nu de eigenaar als medepleger kon worden aangemerkt.
Op 18 augustus 2011 deed de rechtbank uitspraak op het beroep dat door de eigenaar was ingesteld tegen het eerste dwangsombesluit.
De rechtbank oordeelde dat de eigenaar ten onrechte als overtreder van het specifieke gebruiksverbod was aangemerkt omdat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de chalets permanent werden bewoond als bedoeld in de begripsbepaling van het bestemmingsplan. Daarin stond dat onder permanente bewoning moet worden verstaan het gebruik van een kampeermiddel dat noopt tot inschrijving op grond van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. De rechtbank overweegt dat een persoon zich op grond van de Wet GBA moet inschrijven in de gba van een gemeente als hij/zij naar verwachting daar de komende zes maanden vier maanden verblijf zal houden. De rechtbank constateerde dat het college de bewoning van de chalets niet tot individuele personen had kunnen terugleiden en ook anderszins niet aannemelijk had kunnen maken dat voldaan werd aan de zgn. vier uit zes eis.
Verder oordeelde de rechtbank dat het college de eigenaar ten onrechte als overtreder van het algemeen gebruiksverbod had aangemerkt.
Dit verbod richt zich uitsluitend tot de gebruiker. De eigenaar was weliswaar geen gebruiker, maar werd door het college als medepleger aangemerkt en op die grond als overtreder. De rechtbank overwoog echter dat het oude recht van toepassing was op deze zaak, zodat artikel 5:1 lid 2 Awb (waarin bepaald is dat een medepleger als overtreder wordt aangemerkt) in dit geval niet van toepassing was.
Het college kon zich niet vinden in deze uitspraak. In hoger beroep stelde het college dat de rechtbank ten onrechte de bewijslast van de overtreding van het specifieke gebruiksverbod bij het college had gelegd. Het college vond dat, nu de eigenaar, in strijd met zijn verplichting, geen register had bijgehouden van de bewoners van de chalets en (beweerdelijk) de bewoners verbood zich in te schrijven in het GBA, de bewijslast op de eigenaar behoorde te rusten. De Afdeling oordeelt echter dat dit niet afdoet aan het feit dat het aan het college is om, nu de permanente bewoning in het bestemmingsplan gekoppeld is aan de inschrijving in het GBA, de bewoning van de chalets te herleiden tot individuele personen en aannemelijk te maken dat deze personen voldoen aan de vier uit zes eis.
Ook de grief van het college tegen het oordeel dat niet bewezen is dat de eigenaar als overtreder van het algemeen gebruiksverbod kan worden aangemerkt, slaagt niet.
Het college bestreed niet dat artikel 5:1 lid 2 Awb niet van toepassing was. Wel vond het college dat de eigenaar toch als overtreder kon worden aangemerkt, nu hij de camping had veranderd in een woonwijk voor buitenlandse werknemers. De Afdeling is echter onverbiddelijk. Het algemeen gebruiksverbod richt zich uitsluitend tot de gebruikers en niet tot degenen die laten gebruiken. De Afdeling is van oordeel dat de eigenaar niet als gebruiker van de chalets kan worden aangemerkt.
LJN: BW3029
Abonneren op:
Berichten (Atom)